Afscheid‎ > ‎

IM Bert Middelhoff

‘Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik het zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we’, behalve Bert, die was ‘t al, wijs.
Een mensen mens, zijn leven lang, op het hockeyveld, op Singel 500, op Fons Vitae, en thuis.

Op Hic was hij jarenlang onze beste speler. Niet als goalgetter maar als Ausputzer, als laatste man. En als strafcornerspecialist. Hij had een onwaarschijnlijke kijk op de bal en altijd een voetje achter zijn stick. Als een rots in de branding. De tegenpartij ging hem wel voorbij, links en rechts, maar zonder bal. Die had Bert. Hoe? Dat had niemand door, ook de scheidsrechter niet. Met een brede grijns keek hij even op en stuurde zijn bal en zijn team richting het vijandelijke doel. Zo werden wij kampioen, promoveerden naar de Overgangsklasse en naar de Hoofdklasse. Toen vond Dorrit het welletjes en trad Bert terug. Maar tegen Amsterdam was Bert weer van de partij, de enige twee wedstrijden die we in de hoofdklasse hebben gewonnen.

Op het veld hoorde je Bert niet, behalve tegen mij: ‘Frans mondje dicht’. Maar in het clubhuis had Bert het hoogste woord. Hij kende iedereen en iedereen kende hem. De sterke verhalen en de vrolijke anekdotes werden afgewisseld met Berts gulle lach. Zo had Bert ook in de studentenwereld al vrienden voordat we ontgroend werden. Karel Slootman loodste ons naar Argo. Gelukkig maar, anders waren we hockeyjongens gebleven.

Café Eylders bestond 20 jaar en Argo verzorgde een speciaal boekje met prenten, proza en poëzie van alle kunstenaars die wij leerden kennen op onze vrijdagavonden in dit café. 
Onvergetelijk was ons eerste Argo lustrum, in Dorrits auto, Bert aan het stuur, Pien en ik achterin, samen naar Groot Kievitsdal in het Gooi. Ik zie ze nog voor me, tussen al die Argonauten in gala Bert en Dorrit breeduit zwierend over de dansvloer tot de vroege ochtend.

Op Singel 500, aan de Bloemenmarkt hartje Amsterdam, had Bert de kleine en Peter de grote kamer beneden, Ruud en Harry daarboven, Hans in het hok daarnaast, Victor zat naast de keuken en ik onder het dak achter het kolenhok. Als een rondvaartboot toeterde voor de brug van het Koningsplein, hing Bert uit het raam en toeterde terug. Waarop de rondvaartboot van schrik in z’n achteruit ging en bleef wachten tot er niet meer getoeterd werd. Soms kon dat lang duren.

Legendarisch waren de mosselenfeesten op Singel 500, dansen, zingen, mosselen en bier. Bert had liever wijn, toen al, hij was de langzaamste bierdrinker van ons allemaal. Zelfs langzamer dan pater van Kilsdonk. Die hij graag en prachtig kon nadoen.

In ons derde jaar begon de winter al voor Sinterklaas en met Pasen lag er nog steeds ijs in de sloten. Het was zo koud dat de stad kolengeld gaf aan mensen met minder dan het minimumloon. Op het Singel lagen al onze matrassen beneden rond die ene kolenkachel van Peter en Bert. Om beurten haalden we voor zeven man kolengeld op bij de gemeente en gingen 's avonds na het studeren naar de sociëteit. Dat jaar haalden we allemaal ons kandidaatsexamen.

Dat Ruud verkering kreeg bleek uit de kleurrijke enveloppen in de brievenbus van Singel 500. Bert tekende er met lippenstift grote rode monden op en bracht de brieven naar boven. Van schaamte werd Ruud rood tot achter zijn oren.

Boven de bakkerij van de weduwe Rekers, waar Guus woonde, lazen we toneelstukken. Guus zorgde voor de teksten van Brecht, Mulisch, Pinter, Fassbinder en anderen. We lazen de teksten hardop, ieder kreeg een rol die per scène kon wisselen. Zo kregen we om beurten een hoofdrol, een bijrolletje of we waren inspeciënten. Bert kon prachtig acteren, deuren laten kraken of bellen rinkelen. Het waren avondvullende stukken, meestal zo controversieel dat we nog lang konden napraten met z'n allen. Na afloop rolde het hele gezelschap alle trappen af naar beneden tot in de bakkerij, waar we als dank voor de mooie avond gooiden met de puddingbroodjes. Grote pret ook voor Bert, maar hij was het die ervoor zorgde dat we de boel ook weer opruimden.

Er zijn natuurlijk meer van dit soort sterke verhalen over de vrienden en ook van recenter datum. Bert hield van verhalen. Waar het mij omgaat is dit.
In je studententijd maak je vriendschappen voor het leven. Die helpen je door goede en door slechte tijden. Bert was voor mij als een oudste broer. Hij had eerder verkering, eerder een eigen huis, trouwde eerder, had eerder en een groter gezin. Hij deed alles voor.
Ook hoe je je echtgenoot verzorgt als die chronisch ziek wordt.

Grote bewondering heb ik voor de wijze waarop Francoise en Bert van de nood een deugd maakten en twee families bij elkaar brachten. Zo blijft Francoise niet alleen achter, maar weet zich omringd door 8 prachtige zonen en dochters, 8 even mooie schoonzonen en dochters, 19 binnenkort 20 lieve kleinkinderen.

Het is intens verdrietig maar ook doodgaan deed Bert ons voor. Zo heb ik hem nog op tijd kunnen bedanken voor zijn vriendschap een leven lang.

FWS 21 X 17